maandag 11 mei 2009

Taalniveaus: onzin of beïnvloedingsinstrument?

Zoveel te vertellen en zo weinig tijd… wat gaat een maand toch ook snel voorbij zeg! Wanneer ik iets interessants tegenkom denk ik vaak: “dit kan je gebruiken bij beïnvloeding en overtuiging” en dan schrijf ik vervolgens het bijbehorende idee snel op. Sinds het lezen van ‘Het slimme onbewuste’ van Ap Dijksterhuis (2007) vertrouw ik steeds meer op de ideeën die mij te binnen schieten. Het herzien van de aantekeningen op een later tijdstip werkt vaak verhelderend, soms is het volkomen onzin of juist helemaal te gek!

Tot mijn grote verbazing zag ik recentelijk het begrip taalniveaus vanuit het
Europees referentiekader. Op zich niet zo’n baanbrekend begrip, maar wel de meetbare toepassing ervan die ik nog niet eerder had gezien. Texamen heeft voorbeeldteksten per niveau, die tot de verbeelding spreken. Wessel Visser, directeur van Bureau Taal, verwijst me naar zijn boek “Schrijven in eenvoudig Nederlands”. Volgens een Biblion recensie (op Bol.com) zal de professionele schrijver niets nieuws vinden en wat betreft de beginnende schrijver zitten de meeste elementen in de basis van veel schrijftrainingen. Desalniettemin wijst het auteurs op het schrijven met de kracht van eenvoud en gaat hoofdstuk 2 in op het meten van het taalniveau van een tekst.

Kernvraag is natuurlijk: hebben we hier wat aan? Zoals ik al zei was mijn eerste gedachte “dit kunnen we gebruiken voor beïnvloeding”, zou het aanspreken van mensen met een te moeilijk of te makkelijk niveau effect hebben op houding of gedrag? Vanuit het
Elaboration Likelihood model van Petty & Cacioppo (1986) weten we dat men afhankelijk van de situatie gebruik maakt van stelregels, bv. dit ziet er moeilijk uit dus het zal wel waar zijn. Zou het meerwaarde hebben om de doelgroep in een voor hun passend niveau aan te schrijven? Ik kan me voorstellen dat mensen met een laag niveau (a1) de teksten op niveau c2 niet begrijpen, maar zouden mensen met taalniveau c2 het als neerbuigend ervaren als zij met niveau a1 worden aangesproken?

Dr. Wim Vuijk, Docent CIW aan de RUG, schrijft in een reactie via mail dat “het wel een praktisch probleem zal opleveren wanneer je meerdere doelgroepen tegelijk wilt benaderen: je kunt wel zeggen, doe het dan op de eenvoudigste wijze, maar dat zal niet meevallen, niet alleen moet je de kenmerken goed kennen en kunnen toepassen, daarnaast ontstaan effecten die jij ook noemt, zoals het neerbuigende. Wat bij dit alles een belangrijke en complicerende rol speelt is dat voorkennis over een bepaald onderwerp een belangrijke rol speelt. Je kunt op het ene gebied vrijwel niets weten (en dan moet het dus heel simpel zijn wat er gezegd wordt), op een ander gebied heb je zoveel voorkennis dat je ook moeilijke teksten makkelijk(er) aankunt."

Al met al zal het aanspreken van mensen op een heldere duidelijke manier, die voor iedereen begrijpbaar is, altijd wel de voorkeur hebben. Desalniettemin ben ik ervan overtuigd dat, als je bijvoorbeeld artsen of ziekenhuisdirecteuren wilt overtuigen, je dat het beste kan doen op een manier die ze gewend zijn vanuit de vakliteratuur of wetenschappelijke artikelen. Volgens mij is er wel een link te leggen met de beïnvloedingsvalkuil ‘Liking’. Het blijkt namelijk dat mensen zich gemakkelijker laten overhalen door mensen die ze mogen door fysieke aantrekkelijkheid, complimentjes (→
reciprociteit!) en gelijksoortigheid (similarity) in opinies, persoonlijkheid, life-style, kleding, lichaamshouding en als klap op de vuurpijl: verbale stijl (schrijf- en spreekstijl).

Vooralsnog geen uitvoerige wetenschappelijke onderbouwing van dit feit, maar het is wel aannemelijk te maken. Misschien een idee om mee te nemen als variabele in een afstudeeronderzoek, iemand?

Werkse en groet,

Edwin Hollander

Ps. Dr. Wim Vuijk, docent aan de opleiding Communicatie en Informatiewetenschappen, schrijft regelmatig over diverse onderwerpen in zijn eigen
weblog.